dinsdag 4 september 2012

Lange Duinen Noord: ruim 50 jaar jong

Door Yme Brijker
Deze oost-west liggende natte duinvallei met als kern een gevarieerd rietmoeras wordt gezien als één van de belangrijkste broedvogelgebieden op Ameland. Van de 45 tot 50 soorten die er broeden, behoort een belangrijk deel tot soorten die hoge eisen stellen aan hun leefmilieu.


Ontstaan van de Lange Duinen Noord
Het gebied Lange Duinen Noord is ontstaan uit een voormalige strandvlakte, vergelijkbaar met het huidige Groene Strand. Nadat Rijkswaterstaat in 1959 de Hollumer en Ballumer duinen door de aanleg van een stuifdijk m.b.v. stuifschermen met elkaar verbonden had, ontstond er een oost-west liggende vallei. Deze vallei werd aan de noordzijde begrensd door een nieuwe zeereep en aan de zuidzijde door de vroegere zeereep, ook wel bekend als de “steile duinen”. De duinvoet lag toen langs het huidige Rietpad. In de jaren zestig was het vooral een groen strand met lage, jonge duintjes en natte, slibrijke delen. Met name in het oostelijk deel ontstond een omvangrijke rietvegetatie op zoete kwel uit de aangrenzende duinen.
Ter hoogte van paal 4 en 4.4 ontstonden halfweg de zestiger jaren een tweetal smalle gaten in de zeereep. vanaf 1970 zijn deze gaten open gelaten, waardoor bij stormtijen regelmatig zeewater naar binnen kon dringen. Doordat de openingen in de zeereep door verstuiving geleidelijk steeds hoger zijn komen te liggen, kan deze instroming van zout water tegenwoordig zelfs bij extreem hoog water nauwelijks meer plaatsvinden.
Foto Teake Roosjen

Rietmoeras
De kern van het gebied wordt gevormd door een aaneengesloten rietmoeras met een oppervlakte van ± 60 ha. De belangrijkste elementen van dit moeras zijn open water en uitgestrekte rietvelden, waartussen drogere duinruggen en natte valleien liggen. Aan zowel de noordzijde als de zuidzijde ontwikkelden zich duinvegetaties, valleivegetaties en boom- en struweelgroepen.

Belangrijk broedvogelgebied
Door de verscheidenheid aan biotoopomstandigheden in het rietmoeras vinden vele soorten vogels, waaronder een aantal zgn. Rode Lijst soorten, er een geschikt broed- en foerageergebied.  Van de 45 tot 50 soorten die jaarlijks als broedvogel worden vastgesteld, bestaat nog steeds ongeveer de helft uit kritische en vrij kritische soorten die hoge eisen stellen aan hun leefgebied.
Naast de zeldzame roerdomp die alleen hier nog op Ameland voor komt, broeden er de bedreigde Rode Lijst soorten graspieper, kneu, nachtegaal, koekoek en slobeend.

Foto Teake Roosjen
Soorten gebonden aan water en riet zoals  rietzanger, kleine karekiet, fitis, rietgors, bruine kiekendief, blauwborst, baardmannetje, waterral en meerkoet voelen zich hier prima thuis. Een aantal van deze soorten komen er dan ook in tamelijk grote aantallen voor. De meer algemenere soorten als merel, wilde eend, winterkoning, grasmus, braamsluiper en houtduif maken de vogelgemeenschap van het gebied compleet.

Doel broedvogelinventarisaties
Toen in 1997 besloten werd te stoppen met het onderhoud aan de zeereep tussen
 km 3 en 5, kreeg de vogelwacht Hollum-Ballum de opdracht van Rijkswaterstaat om jaarlijks een broedvogelinventarisatie uit te voeren. Voornaamste doel was om de veranderingen in de broedvogelpopulaties te volgen die zouden kunnen optreden door meer ruimte te geven aan natuurlijke dynamiek. Zo zijn In 2010 de 3 deelgebieden west, midden en oost voor de 13e keer geïnventariseerd op aanwezigheid van de broedvogels. Om vergelijkingen over een aantal jaren mogelijk te maken zijn de gegevens per deelgebied verzameld. Welke soorten er broeden, in welke aantallen ze voorkomen en op welke plaatsen in het terrein.
Foto Gribbert Ruygh

Werkwijze van de inventarisaties
Vanaf eind maart tot en met de maand juni worden de tellingen uitgevoerd. Dit gebeurt meestal in de vroege ochtenduren omdat de vogels zich dan volop laten horen. Aan de hand van de zogenaamde BMP-methode (Broedvogel Monitoring Project) worden de waarnemingen in het veld op een veldkaart genoteerd. Van de meeste soorten vormen zang, baltsgedrag en alarmgeluiden het merendeel van de waarnemingen. Er wordt dus niet naar nesten gezocht. Alle geldige waarnemingen worden vervolgens op soortkaarten overgebracht waarna aan het eind van het broedseizoen nog het bureauwerk moet  plaatsvinden. Hierbij wordt op basis van een aantal criteria zoals bv. het aantal waarnemingen, het aantal territoria (“broedparen”) per soort bepaald en op stippenkaarten met een “stip” worden ingetekend ( zie stippenkaart winterkoning) Deze zogenaamde interpretatie vormt een belangrijk onderdeel van de BMP-methode.

Ontwikkelingen in soorten en in aantallen
Tabel 1 laat zien dat in 2010 van 46 soorten slechts 475 broedterritoria (“broedparen”)  zijn vastgesteld. Met name het aantal territoria dat de vogelwachters hebben kunnen vaststellen, betekent een absoluut dieptepunt in aantallen vanaf 1998. Hoewel het aantal soorten niet uit de toon valt in de reeks vanaf 2005, is het beduidend lager dan de 60 waargenomen soorten in 1998.
Sinds 1998 is het aantal soorten met ruim 23% afgenomen, het aantal broedterritoria met bijna 42%.
Tabel 1: Soorten en territoria in de periode 1998 – 2010


10
09
08
07
06
05
04
03
02
01
00
99
98
soort
46
47
45
47
46
48
49
48
51
51
57
56
60
territ
475
554
544
683
709
660
792
714
803
756
784
855
816

Negatieve trends zoals die ook landelijk voor meerdere soorten moerasvogels worden geconstateerd, zijn ook van invloed op de aantallen van die soorten in de Lange Duinen Noord. Zeker van negatieve invloed zijn ook de veranderende terreinomstandigheden zoals die nu eenmaal plaatsvinden in een zich ontwikkelend rietmoeras met kenmerken als verruiging, veroudering en toename van struwelen en boomgroepen. Deze zogeheten successie is nog steeds gaande , mede doordat de verwachte instroming van zeewater en doorstuiving van zand zijn uitgebleven waardoor geen pioniersituaties zijn ontstaan.
Ook het beheer is vanaf 1997 niet of nauwelijks gewijzigd. In het voorjaar wordt het gebied ontwaterd. Dit doet men  om de bodembroeders meer ruimte te geven, het maaien van het riet mogelijk te maken en de begaanbaarheid voor recreanten te verbeteren.

15 meest voorkomende soorten
Uit tabel 2 valt op te maken dat deze groep procentueel gezien door de jaren heen heel stabiel gebleven is.
Tabel 2: 15 meest voorkomende soorten in de periode 2000 – 2010, territoria en % van totale aantal broedparen.


Top 15
10
09
08
07
06
05
04
03
10
02
01
00
Territ.
369
437
417
532
561
517
618
576
369
634
605
619
% Brp.
77,7
78,9
76,7
77,9
79,1
78,3
78,0
80,7
77,7
79,0
80,0
79,0


In de periode 2000 - 2010 bewoog het percentage broedparen van deze 15 soorten  ten opzichte van het totale aantal broedparen maar minimaal; t.w. tussen de 75 en 80 procent. Ook het jaar 2010 vormt hierop geen uitzondering zoals uit de tabel valt op te maken.
Een viertal soorten, t.w. kleine karekiet, rietzanger, fitis en winterkoning, vormden in de periode 2000 - 2010 elk jaar opnieuw met ± 45 - 55% aan vastgestelde territoria de 4 meest voorkomende soorten. Ook de Rode Lijst soorten kneu en nachtegaal hebben sinds 1997 elk jaar deel uitgemaakt van de 15 meest voorkomende soorten.

Ontwikkelingen vogelgroepen
Tabel 3: Ontwikkelingen vogelgroepen

HOOFDECOTOOP, aandeel in %
2010
2009
2000
100 ( 101, 102, 103 )  open water
12,9
14,8
12,6
200 (201 t/m 204) riet- en andere verlandingsvegetaties
39,9
43,1
42,1
300 ( 303, 305 ) pioniervegetaties, ruigten en akkers
3,4
4,5
6,1
600 ( 601, 603, 604 )  struiken en struwelen, heggen
47,0
42,2
41,7

Een vogelgroep bestaat uit een aantal soorten die ongeveer vergelijkbare eisen stellen aan hun leefmilieu. Deze indeling is gebaseerd op zgn. hoofdecotopen. Dit zijn duidelijk te onderscheiden combinaties van vegetatievorm en abiotische factoren als water, bodem, licht, enz.
Uit tabel 3 blijkt dat ten opzichte van 2000 groep 100 zich heeft gehandhaafd en groep 200 licht gedaald is. Het gaat om soorten die moerasachtige omstandigheden als biotoop eis hebben. Kennelijk is er voor de soorten uit deze groepen nog voldoende open water en rietvegetaties aanwezig. T.o.v. 2009 is het aandeel van beide groepen afgenomen.
Groep 300 heeft het in 2010 duidelijk slechter gedaan dan in 2009. Ten opzichte van 2000 is deze groep bijna gehalveerd.. Deze toch wel  spectaculaire daling is vooral veroorzaakt door de lagere aantallen van bergeend, wulp en scholekster.
Het aandeel van groep 600 blijft maar toenemen. Deze groep is ook qua soorten de breedste groep. T.o.v. 2000 is het aandeel van deze groep met 5,3% toegenomen.  De soorten uit deze groep hebben een voorkeur voor struweelrijke duinen, jonge bosopslag in moeras, natte ruigten met wat struikjes en een boomlaag. Al deze kenmerken passen in een zich ontwikkelend moerasgebied waarin verruiging, veroudering en een toename van houtopslag plaatsvinden. Verwacht mag worden dat bij ongewijzigd inrichtingsbeleid deze groep een nog grotere rol zal gaan spelen.
Rode Lijst Soorten
De tabel toont het aantal Rode Lijst soorten, de territoria en het aandeel in % t.o.v. het totale aantal territoria in % in de periode 2004 – 2010.

Tabel 4: Rode Lijst soorten in de jaren 2004 - 2010

2010
2009
2008
2007
2006
2005
2004
aantal soorten
6
6
7
6
7
8
7
aantal territoria
49
49
50
42
46
63
64
% van totaal aantal territoria
10,3
8,8
9,2
6,1
6,5
9,5
8,1

SOORT
2010
2009
2008
2007
2006
2005
2004
Territoria totaal en in % 
49   10,3%
49  8,8%
50   9,2%
42    6,1%
46  6,5% 
63  9,5%  
64  8,1% 
Blauwe Kiekendief
0
0
2
2
3
4
4
Graspieper
3
5
5
2
5
1
3
Kneu
18
21
14
13
12
29
25
Nachtegaal
18
13
15
17
17
15
16
Roerdomp
5
6
6
4
3
3
3
Koekoek
4
3
5
4
5
6
5
Spotvogel
0
0
0
0
1
0
0
Slobeend
1
0
3
0
0
4
8
Zomertaling
0
0
0
0
0
1
0
GrauweVliegenvanger
0
1
0
0
0
0
0

Van de blauwe kiekendief werden de laatste 2 jaren, sinds in ieder geval 1997, geen broedgevallen meer waargenomen. Al jaren werd gevreesd voor het verdwijnen van deze soort op Ameland. Afgewacht moet worden in hoeverre de afwezigheid definitief is. De slobeend keerde  weer terug.
Verder is ook opmerkelijk de toename van een zeer kwetsbare soort als de roerdomp.  Verder is van belang de opmars van de kneu. Deze soort doet het met name erg goed in deelgebied west (11 territoria)
Zowel in absolute cijfers als procentueel gezien hebben de Rode Lijst soorten het in 2010 opnieuw goed gedaan. Het gebied voldoet kennelijk nog steeds aan de strenge biotoopeisen van een aantal kritische en vrij kritische soorten.
Foto Gribbert Ruygh
Toekomst Lange Duinen Noord
De Lange Duinen Noord maakt deel uit van de Amelander Duinen die aangewezen zijn als Natura 2000 gebied. In het nog op te stellen beheerplan zullen beheermaatregelen worden aangegeven om de gestelde natuurdoelen voor het duingebied te realiseren. Te hopen valt dat in de paragraaf over het gewenste beheer van de Lange Duinen Noord de keuzes positief zullen uitpakken voor dit nog jonge en unieke vogelrijke stukje Ameland.

Persbureau Ameland